ddj-logo

Terugontvangen lijfrentepremie is overige bezitting in box 3

31 augustus 2026

Als je een lijfrenteverzekering kort na afsluiten daarvan weer opzegt, kan het zijn dat je voor 1 januari al een premie hebt betaald die je na 1 januari weer terugontvangt. Hoe moet je dat verwerken in box 3?

Wettelijke bedenktijd

Als je een lijfrenteverzekering afsluit, geldt er een bepaalde (wettelijke) bedenktijd. Je kunt tijdens die bedenktijd de verzekering weer opzeggen of ontbinden.

Afkoop?

Opzeggen of ontbinden is in beginsel een afkoop van de lijfrente. De fiscale sancties die samenhangen met zo’n afkoop treden door een goedkeuring van de staatssecretaris niet in werking als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen,
  • de opzegging of ontbinding kan maximaal tot 30 dagen na het afsluiten van de lijfrenteovereenkomst worden ingeroepen,
  • alleen de gehele lijfrenteovereenkomst kan worden opgezegd of ontbonden, ende lijfrenteovereenkomst die wordt opgezegd of ontbonden is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst.

Als voldaan is aan deze voorwaarden wordt volgens de goedkeuring van de staatssecretaris de premiestorting geacht niet te hebben plaatsgevonden.

Box 3

Stel dat je de lijfrente op 15 december 2025 hebt afgesloten en op 15 december 2025 ook de lijfrentepremie hebt betaald. Je zegt de lijfrenteovereenkomst op 5 januari 2026 op en op 19 januari 2026 ontvang je de premie terug. Moet je hier dan rekening mee houden in box 3 op 1 januari 2026 en zo ja, hoe?

De Belastingdienst vindt van wel en geeft aan dat de terugontvangen premie bij wijze van fictie moet worden opgenomen in het vermogen op 1 januari 2026. Dit vermogen is immers lager door de op 15 december 2025 in aftrek gebrachte premie.

Geen banktegoed maar overige bezitting

De Belastingdienst geeft ook aan dat de terugontvangen premie niet in de categorie banktegoed kan worden geplaatst maar moet worden aangemerkt als een overige bezitting.

Let op! Dit betekent dat hiervoor in 2026 een forfaitair rendementspercentage geldt van 6% in plaats van het voorlopige forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden van 1,28%!

Discutabel standpunt

Het voorgaande standpunt van de Belastingdienst is discutabel. In de fiscale literatuur wordt aangegeven dat dit standpunt waarschijnlijk geen stand kan houden. De goedkeuring gaat immers ervan uit dat de premiestorting niet heeft plaatsgevonden. Om die reden moet niet van de terugontvangen premie maar van de betaalde premie worden uitgegaan.

Die betaalde premie is in het voorbeeld op 15 december 2025 van een banktegoed betaalt, zodat de correctie per 1 januari 2026 ook zou moeten plaatsvinden op de banktegoeden en dus niet op de overige bezittingen.

Let op!Houd er rekening mee dat de Belastingdienst zal vasthouden aan het eigen standpunt, tenzij daar nog een rectificatie op komt.

Tegenbewijsregeling

Je kunt ook een beroep doen op de tegenbewijsregeling als je totale werkelijke rendement in 2026 lager is dan het forfaitaire rendement. Je betaalt dan geen belasting in box 3 over het forfaitaire rendement, maar over je werkelijke rendement. Houd er wel rekening mee dat het werkelijke rendement berekend moet worden volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3. Daarbij tellen bijvoorbeeld ongerealiseerde waardestijgingen van onroerend goed en beleggingen ook mee, ook als je deze nog niet te gelde hebt gemaakt.